De vormen
Het Nederlands kiest tussen die en dat op grond van de of het. Het Arabische betrekkelijk voornaamwoord past zich aan in geslacht en getal:
| Antecedent | Betrekkelijk voornaamwoord |
|---|---|
| mannelijk enkelvoud | الَّذِي |
| vrouwelijk enkelvoud | الَّتِي |
| mannelijke dualis | اللَّذَانِ / اللَّذَيْنِ |
| vrouwelijke dualis | اللَّتَانِ / اللَّتَيْنِ |
| mannelijk meervoud (personen) | الَّذِينَ |
| vrouwelijk meervoud (personen) | اللَّاتِي / اللَّوَاتِي |
| meervoud (geen personen) | الَّتِي |
- الطَّالِبُ الَّذِي يَدْرُسُ الْعَرَبِيَّةَ صَدِيقِي. — De student die Arabisch studeert, is mijn vriend.
- الْمُعَلِّمَاتُ اللَّاتِي يَعْمَلْنَ هُنَا جَدِيدَاتٌ. — De leraressen die hier werken, zijn nieuw.
- الْكُتُبُ الَّتِي عَلَى الطَّاوِلَةِ لِي. — De boeken die op tafel liggen, zijn van mij.
Alleen na een bepaald woord
Is het woord vóór de bijzin onbepaald, dan gebruik je helemaal geen betrekkelijk voornaamwoord. De bijzin volgt gewoon:
| Bepaald | Onbepaald |
|---|---|
| رَأَيْتُ الرَّجُلَ الَّذِي يَقْرَأُ. | رَأَيْتُ رَجُلًا يَقْرَأُ. |
| de man die aan het lezen is | een man die aan het lezen is |
| الْبَيْتُ الَّذِي اشْتَرَيْتُهُ | بَيْتٌ اشْتَرَيْتُهُ |
| het huis dat ik gekocht heb | een huis dat ik gekocht heb |
Het terugverwijzende voornaamwoord
In de bijzin staat een voornaamwoord dat terugwijst naar het woord, behalve als dat woord het onderwerp van de bijzin is. Het Arabisch noemt het الْعَائِد, "wat terugkeert":
- onderwerp, geen voornaamwoord nodig: الطَّالِبُ الَّذِي يَدْرُسُ — de student die studeert
- lijdend voorwerp: الْكِتَابُ الَّذِي قَرَأْتُهُ — het boek dat ik (het) gelezen heb. In formele teksten mag dit voornaamwoord soms wegvallen.
- na een voorzetsel, altijd verplicht: الْبَيْتُ الَّذِي سَكَنْتُ فِيهِ — het huis waar ik in woonde (letterlijk: in het)
- bezit: الرَّجُلُ الَّذِي سَيَّارَتُهُ أَمَامَ الْبَيْتِ — de man wiens auto voor het huis staat
مَا en مَنْ zonder antecedent
مَا betekent "wat" voor dingen, مَنْ "wie" voor personen; ze hebben geen woord ervoor nodig:
- قَرَأْتُ مَا كَتَبْتَهُ. — Ik heb gelezen wat jij geschreven hebt.
- أَعْرِفُ مَنْ فَعَلَ ذَلِكَ. — Ik weet wie dat gedaan heeft.
Let op als Nederlandstalige
- Het Nederlands zegt ook "een man die leest". Na een onbepaald woord laat het Arabisch het betrekkelijk voornaamwoord weg. ✗ رَأَيْتُ رَجُلًا الَّذِي يَقْرَأُ. / ✓ رَأَيْتُ رَجُلًا يَقْرَأُ.
- Nederlands splitst "waar ... mee/in" ("de man waar ik mee sprak") of laat het voorzetsel achteraan. In het Arabisch staat het voorzetsel met een voornaamwoord in de bijzin. ✗ الرَّجُلُ الَّذِي تَكَلَّمْتُ. / ✗ الرَّجُلُ الَّذِي مَعَ تَكَلَّمْتُ. / ✓ الرَّجُلُ الَّذِي تَكَلَّمْتُ مَعَهُ.
- Een meervoud van dingen krijgt الَّتِي, ook al zeg je in het Nederlands gewoon "die". ✗ الْكُتُبُ الَّذِينَ قَرَأْتُهَا / ✓ الْكُتُبُ الَّتِي قَرَأْتُهَا.
Voorbeelddialoog
مَنِ الرَّجُلُ الَّذِي يَقِفُ هُنَاكَ؟ — Wie is de man die daar staat?
هُوَ الْمُهَنْدِسُ الَّذِي بَنَى الْمَدْرَسَةَ. — Dat is de ingenieur die de school gebouwd heeft.
وَالْمَرْأَةُ الَّتِي مَعَهُ؟ — En de vrouw die bij hem is?
هِيَ الطَّبِيبَةُ الَّتِي تَحَدَّثْتُ مَعَهَا أَمْسِ. — Dat is de arts met wie ik gisteren gepraat heb.
أَعْرِفُ مَنْ دَعَاهُمَا. — Ik weet wie hen tweeën uitgenodigd heeft.