De belangrijkste voorzetsels
| Voorzetsel | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| فِي | in | فِي الْبَيْتِ (fi l-bayti) in het huis |
| عَلَى | op | عَلَى الطَّاوِلَةِ (ʿala ṭ-ṭāwilati) op de tafel |
| مِنْ | uit, van | مِنَ الْمَدْرَسَةِ (mina l-madrasati) van school |
| إِلَى | naar | إِلَى السُّوقِ (ila s-sūqi) naar de markt |
| مَعَ | met (samen met) | مَعَ صَدِيقِي (maʿa ṣadīqī) met mijn vriend |
| عِنْدَ | bij | عِنْدَ الْبَابِ (ʿinda l-bābi) bij de deur |
| عَنْ | over | عَنِ الْكِتَابِ (ʿani l-kitābi) over het boek |
| بِـ | met (als middel) | بِالْقَلَمِ (bi-l-qalami) met de pen |
| لِـ | voor, aan | لِلطَّالِبِ (li-ṭ-ṭālibi) voor de student |
بِـ en لِـ bestaan uit één letter en worden vast aan het volgende woord geschreven. Na لِـ verdwijnt de alif van ال ook uit het schrift: لِـ + الْبَيْتِ = لِلْبَيْتِ.
Het Nederlands heeft één "met"; het Arabisch kiest: مَعَ als je iets samen met iemand doet, بِـ als je iets als middel gebruikt.
Na een voorzetsel: altijd genitief
Het woord na een voorzetsel krijgt de genitief-uitgang: ـِ als het bepaald is, ـٍ (tanwien kasra) als het onbepaald is.
| Los | Na een voorzetsel |
|---|---|
| الْبَيْتُ het huis | فِي الْبَيْتِ in het huis |
| بَيْتٌ een huis | فِي بَيْتٍ in een huis |
| الْمَدِينَةُ de stad | مِنَ الْمَدِينَةِ uit de stad |
| مَكْتَبٌ een kantoor | فِي مَكْتَبٍ in een kantoor |
مِنْ en عَنْ eindigen op sukun en krijgen voor ال een hulpklinker: مِنَ الْبَيْتِ, عَنِ الْبَيْتِ.
"Hebben"
Het Arabisch heeft geen werkwoord "hebben". Je gebruikt عِنْدَ (bij, voor wat je bij je hebt of bezit) of لِـ (voor familie en wat bij iemand hoort), met een aangehecht voornaamwoord:
| Arabisch | Klank | Betekenis |
|---|---|---|
| عِنْدِي | ʿindī | ik heb |
| عِنْدَكَ / عِنْدَكِ | ʿindaka / ʿindaki | jij hebt (m / v) |
| عِنْدَهُ / عِنْدَهَا | ʿindahu / ʿindahā | hij heeft / zij heeft |
| عِنْدَنَا | ʿindanā | wij hebben |
| عِنْدَكُمْ | ʿindakum | jullie hebben |
| عِنْدَهُمْ | ʿindahum | zij hebben |
- عِنْدِي سَيَّارَةٌ. — Ik heb een auto. (letterlijk: bij mij is een auto)
- لَهُ أَخٌ وَأُخْتٌ. — Hij heeft een broer en een zus.
- لَيْسَ عِنْدِي وَقْتٌ. — Ik heb geen tijd.
Wat je hebt, is grammaticaal het onderwerp. Het blijft dus nominatief: عِنْدِي كِتَابٌ, geen lijdend voorwerp.
Let op als Nederlandstalige
- Vertaal "hebben" niet met een werkwoord. ✗ أَنَا أَمْلِكُ وَقْتًا. (dat is "ik bezit tijd") / ✓ عِنْدِي وَقْتٌ.
- "Ik heb geen tijd" ontken je met لَيْسَ, niet met لَا. ✗ لَا عِنْدِي وَقْتٌ. / ✓ لَيْسَ عِنْدِي وَقْتٌ.
- Het Nederlands heeft na een voorzetsel geen naamval meer; het Arabisch wel. ✗ فِي الْبَيْتُ / ✓ فِي الْبَيْتِ.
- بِـ en لِـ zijn nooit losse woorden. ✗ بِ الْقَلَمِ / ✓ بِالْقَلَمِ.
Voorbeelddialoog
أَيْنَ أَنْتَ؟ — Waar ben je?
أَنَا فِي الْمَكْتَبِ مَعَ أَحْمَدَ. — Ik ben op kantoor met Ahmed.
هَلْ عِنْدَكَ قَلَمٌ؟ — Heb je een pen?
نَعَمْ، الْقَلَمُ عَلَى الطَّاوِلَةِ. — Ja, de pen ligt op tafel.
شُكْرًا، سَأَذْهَبُ إِلَى السُّوقِ. — Dank je, ik ga naar de markt.