De losse persoonlijke voornaamwoorden
Arabische voornaamwoorden maken niet alleen bij "hij/zij" onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk, maar ook bij "jij" en "jullie/zij". Er zijn tien vormen die je dagelijks gebruikt:
| Arabisch | Klank | Betekenis |
|---|---|---|
| أَنَا | anā | ik |
| أَنْتَ | anta | jij (één man) |
| أَنْتِ | anti | jij (één vrouw) |
| هُوَ | huwa | hij, het (mannelijk) |
| هِيَ | hiya | zij (enkelvoud), het (vrouwelijk) |
| نَحْنُ | naḥnu | wij |
| أَنْتُمْ | antum | jullie (mannen of een gemengde groep) |
| أَنْتُنَّ | antunna | jullie (alleen vrouwen) |
| هُمْ | hum | zij (mannen of een gemengde groep) |
| هُنَّ | hunna | zij (alleen vrouwen) |
أَنَا en نَحْنُ zijn voor mannen en vrouwen gelijk.
Voornaamwoorden in eenvoudige zinnen
In de tegenwoordige tijd heeft het Arabisch geen werkwoord "zijn". Voornaamwoord + zelfstandig naamwoord is al een complete zin:
- أَنَا طَالِبٌ. (anā ṭālibun) — Ik ben student. (een man zegt dit)
- أَنَا طَالِبَةٌ. (anā ṭālibatun) — Ik ben student. (een vrouw zegt dit)
- أَنْتِ مُعَلِّمَةٌ. — Jij bent lerares.
- هُوَ مُهَنْدِسٌ. — Hij is ingenieur.
- هُمْ مُعَلِّمُونَ. — Zij zijn leraren. (mannen of gemengd)
- هُنَّ مُعَلِّمَاتٌ. — Zij zijn leraressen.
Bij werkwoorden laat je het voornaamwoord meestal weg, omdat de werkwoordsvorm de persoon al laat zien. أَدْرُسُ (adrusu) betekent op zich al "ik studeer"; أَنَا أَدْرُسُ legt extra nadruk op "ik".
Regels voor mannelijk en vrouwelijk
- Geen apart "het". Dingen zijn mannelijk of vrouwelijk en heten dus هُوَ of هِيَ: أَيْنَ الْكِتَابُ؟ هُوَ هُنَا. (Waar is het boek? Het ligt hier.)
- Gemengde groepen zijn mannelijk. Negen vrouwen en één man zijn هُمْ en أَنْتُمْ. Alleen een groep met uitsluitend vrouwen is هُنَّ of أَنْتُنَّ.
- Meervouden van dingen krijgen هِيَ. Over een stapel boeken of een rij auto's zeg je "zij" in het enkelvoud: الْكُتُبُ؟ هِيَ هُنَاكَ. (De boeken? Die liggen daar.) Deze regel kom je later weer tegen bij bijvoeglijke naamwoorden.
- Geen beleefdheidsvorm. Er is geen "u". أَنْتَ en أَنْتِ gebruik je tegen iedereen, ook tegen ambtenaren en ouderen. Beleefdheid zit in titels en vaste uitdrukkingen.
Vooruitblik: de dualis
Het Arabisch heeft ook eigen vormen voor precies twee personen: أَنْتُمَا (antumā, jullie twee) en هُمَا (humā, zij tweeën). Herken ze voorlopig alleen; ze komen aan bod bij de dualis.
Let op als Nederlandstalige
- Nederlands "jij" heeft één vorm, in het Arabisch moet je kiezen. ✗ أَنْتَ طَالِبَةٌ. (tegen een vrouw) / ✓ أَنْتِ طَالِبَةٌ. Zonder harakat schrijf je beide als أنت; het verschil hoor je aan de laatste klinker.
- Vertaal "ben/is/zijn" niet. ✗ أَنَا أَكُونُ طَالِبٌ. / ✓ أَنَا طَالِبٌ.
- Het Nederlands zegt "het" bij het-woorden, maar Arabisch kent geen onzijdig. ✗ السَّيَّارَةُ؟ هُوَ جَدِيدَةٌ. / ✓ السَّيَّارَةُ؟ هِيَ جَدِيدَةٌ. (De auto? Die is nieuw.)
- Zoek geen beleefde vorm zoals "u". ✗ أَنْتُمْ tegen één oudere meneer als "u" / ✓ أَنْتَ, eventueel met een titel zoals يَا أُسْتَاذُ.
Voorbeelddialoog
مَنْ أَنْتَ؟ — Wie ben jij? (tegen een man)
أَنَا كَرِيمٌ. أَنَا طَالِبٌ. وَمَنْ أَنْتِ؟ — Ik ben Karim. Ik ben student. En wie ben jij? (tegen een vrouw)
أَنَا مَرْيَمُ. أَنَا مُعَلِّمَةٌ. — Ik ben Maryam. Ik ben lerares.
وَمَنْ هُمْ؟ — En wie zijn zij?
هُمْ أَصْدِقَائِي. — Dat zijn mijn vrienden.