Eén lidwoord: ال
Waar het Nederlands kiest tussen de en het, heeft het Arabisch één lidwoord: ال (al-). Het staat vast aan het begin van het zelfstandig naamwoord en verandert nooit, niet voor mannelijk of vrouwelijk en niet voor meervoud. Een woord voor "een" bestaat niet: een onbepaald woord eindigt gewoon op tanwien.
| Onbepaald | Bepaald |
|---|---|
| كِتَابٌ (kitābun) een boek | الْكِتَابُ (al-kitābu) het boek |
| بَيْتٌ (baytun) een huis | الْبَيْتُ (al-baytu) het huis |
| سَيَّارَةٌ (sayyāratun) een auto | السَّيَّارَةُ (as-sayyāratu) de auto |
| كُتُبٌ (kutubun) boeken | الْكُتُبُ (al-kutubu) de boeken |
Een woord heeft of ال of tanwien, nooit allebei.
Maanletters en zonletters
De ل van ال hoor je alleen voor de 14 maanletters. Voor de 14 zonletters is hij stil en wordt de volgende medeklinker verdubbeld (shadda). Geschreven wordt de ل altijd.
| Maanletters (l hoorbaar) | Zonletters (l smelt samen) |
|---|---|
| ا ب ج ح خ ع غ ف ق ك م ه و ي | ت ث د ذ ر ز س ش ص ض ط ظ ل ن |
| الْقَمَرُ (al-qamaru) de maan | الشَّمْسُ (ash-shamsu) de zon |
| الْبَابُ (al-bābu) de deur | الدَّرْسُ (ad-darsu) de les |
| الْمَدْرَسَةُ (al-madrasatu) de school | الرَّجُلُ (ar-rajulu) de man |
| الْوَلَدُ (al-waladu) de jongen | النُّورُ (an-nūru) het licht |
| الْيَوْمُ (al-yawmu) de dag | الطَّالِبُ (aṭ-ṭālibu) de student |
Een handig ezelsbruggetje: zonletters maak je met de tongpunt vlak bij de tanden (t, d, s, sj, r, n, l...). Met harakat krijgt de ل bij maanletters een sukun (الْ); bij zonletters staat er een shadda op de volgende letter (الشَّ).
De a- die verdwijnt
De a van al- spreek je alleen uit aan het begin van wat je zegt. Na een ander woord valt hij weg (deze alif heet hamzat al-wasl), maar in het schrift blijft hij staan:
- فِي الْبَيْتِ (fi l-bayti) — in het huis
- وَالشَّمْسُ (wa sh-shamsu) — en de zon
- مِنَ الْمَدْرَسَةِ (mina l-madrasati) — van school
Na het voorzetsel لِـ (voor) verdwijnt de alif ook uit het schrift: لِـ + الطَّالِبِ = لِلطَّالِبِ (li ṭ-ṭālibi), voor de student.
Waar het Arabisch "de" gebruikt en het Nederlands niet
Voor dingen in het algemeen en abstracte begrippen gebruikt het Arabisch ال:
- أُحِبُّ الْقَهْوَةَ. — Ik hou van koffie.
- الْحَيَاةُ جَمِيلَةٌ. — Het leven is mooi.
- الْعَرَبِيَّةُ لُغَةٌ جَمِيلَةٌ. — Arabisch is een mooie taal.
Sommige plaatsnamen hebben ال als vast onderdeel: الْعِرَاقُ (Irak), الْقَاهِرَةُ (Caïro), الْمَغْرِبُ (Marokko).
Let op als Nederlandstalige
- De en het zijn aparte woorden; ال niet. Schrijf het lidwoord vast aan het woord en zoek geen tweede vorm voor het-woorden. ✗ ال كِتَابُ / ✓ الْكِتَابُ.
- De klank past zich aan, de spelling niet. ✗ al-shams / ✓ ash-shams, en ✗ اشَّمْسُ / ✓ الشَّمْسُ.
- Gebruik geen woord voor "een". وَاحِدٌ betekent "één" (het getal). ✗ وَاحِدٌ كِتَابٌ / ✓ كِتَابٌ.
- Het Nederlands zegt "Ik hou van koffie" zonder lidwoord; het Arabisch wil er wel een. ✗ أُحِبُّ قَهْوَةً. / ✓ أُحِبُّ الْقَهْوَةَ. Lidwoord en tanwien sluiten elkaar uit: ✗ الْكِتَابٌ / ✓ الْكِتَابُ.
Voorbeelddialoog
أَيْنَ الْكِتَابُ؟ — Waar is het boek?
الْكِتَابُ فِي الْبَيْتِ. — Het boek is thuis.
وَأَيْنَ السَّيَّارَةُ؟ — En waar is de auto?
السَّيَّارَةُ أَمَامَ الْمَدْرَسَةِ. — De auto staat voor de school.
شُكْرًا يَا أُسْتَاذُ. — Dank u, meneer.