Een zin zonder werkwoord
In de tegenwoordige tijd heeft het Arabisch geen werkwoord "zijn". Twee woorden zijn genoeg voor een volledige zin: een onderwerp (الْمُبْتَدَأُ, al-mubtadaʾ) en een gezegde (الْخَبَرُ, al-khabar). Beide staan in de nominatief (uitgang -u of -un), behalve als het gezegde een plaatsbepaling met een voorzetsel is.
| Onderwerp | Gezegde | Betekenis |
|---|---|---|
| الْبَيْتُ | كَبِيرٌ. | Het huis is groot. |
| أَنَا | طَالِبٌ. | Ik ben student. |
| مُحَمَّدٌ | مُهَنْدِسٌ. | Mohammed is ingenieur. |
| الْجَوُّ | حَارٌّ. | Het is warm weer. |
| الْكِتَابُ | عَلَى الطَّاوِلَةِ. | Het boek ligt op tafel. |
| الْمُعَلِّمَةُ | فِي الصَّفِّ. | De lerares is in de klas. |
Het gezegde kan een bijvoeglijk naamwoord, een zelfstandig naamwoord of een plaatsbepaling zijn. Een bijvoeglijk naamwoord als gezegde past zich aan het onderwerp aan, in geslacht en getal:
- الْبِنْتُ طَوِيلَةٌ. — Het meisje is lang.
- الطُّلَّابُ مُجْتَهِدُونَ. — De studenten zijn ijverig.
Zin of woordgroep? Bepaaldheid beslist
Het gewone patroon is bepaald onderwerp + onbepaald gezegde. Krijgt het bijvoeglijk naamwoord ook ال, dan zegt het niets meer óver het woord, maar beschrijft het dat woord. Dan heb je een woordgroep, geen zin.
| Arabisch | Soort | Betekenis |
|---|---|---|
| الْبَيْتُ كَبِيرٌ | zin | Het huis is groot. |
| الْبَيْتُ الْكَبِيرُ | woordgroep | het grote huis |
| بَيْتٌ كَبِيرٌ | woordgroep | een groot huis |
| الْبَيْتُ الْكَبِيرُ جَمِيلٌ | zin | Het grote huis is mooi. |
Zijn beide delen bepaald, dan zet je er een voornaamwoord tussen, zodat de zin niet als woordgroep wordt gelezen: مُحَمَّدٌ هُوَ الْمُدِيرُ. (Mohammed is de directeur.) Alleen hier lijkt een voornaamwoord de rol van "is" te spelen.
Onbepaald onderwerp: plaats eerst
Een zin begint normaal niet met een onbepaald woord. Voor "er is/ligt/staat een ... in/op ..." zet je de plaatsbepaling vooraan:
- فِي الْبَيْتِ رَجُلٌ. — Er is een man in huis.
- عَلَى الطَّاوِلَةِ كِتَابٌ. — Er ligt een boek op tafel.
Vergelijk الرَّجُلُ فِي الْبَيْتِ. (De man is in huis.), met een bepaald onderwerp vooraan.
Verleden en toekomst
De zin zonder werkwoord bestaat alleen in de tegenwoordige tijd. Voor "was" en "zal zijn" heb je het werkwoord كَانَ nodig, dat een eigen les krijgt: كَانَ الْبَيْتُ كَبِيرًا. (Het huis was groot.)
Let op als Nederlandstalige
- Een Nederlandse zin heeft altijd een persoonsvorm; hier niet. Zoek dus geen woord voor "is". ✗ الْبَيْتُ يَكُونُ كَبِيرٌ. / ✗ الْبَيْتُ هُوَ كَبِيرٌ. / ✓ الْبَيْتُ كَبِيرٌ.
- Een ال op het bijvoeglijk naamwoord verandert de betekenis. ✗ الْبَيْتُ الْكَبِيرُ. voor "Het huis is groot" (dat is "het grote huis") / ✓ الْبَيْتُ كَبِيرٌ.
- "Er" heeft geen Arabisch equivalent, en je begint met de plaats. ✗ رَجُلٌ فِي الْبَيْتِ. / ✓ فِي الْبَيْتِ رَجُلٌ. Dat lijkt trouwens op Nederlands "In huis is een man": ook daar staat de plaats vooraan.
Voorbeelddialoog
أَيْنَ أَحْمَدُ؟ — Waar is Ahmed?
أَحْمَدُ فِي الْمَكْتَبِ. — Ahmed is op kantoor.
هَلِ الْمَكْتَبُ بَعِيدٌ؟ — Is het kantoor ver?
لَا، الْمَكْتَبُ قَرِيبٌ. — Nee, het kantoor is dichtbij.
وَالْجَوُّ جَمِيلٌ الْيَوْمَ. — En het is vandaag mooi weer.