Twee ontkenningen voor twee soorten zinnen
Het Nederlands heeft ook twee ontkenningswoorden, niet en geen, en kiest op grond van het woord dat ontkend wordt ("geen" voor een onbepaald zelfstandig naamwoord). Het Arabisch verdeelt het werk anders:
- een zin met een werkwoord in de tegenwoordige tijd krijgt لَا
- een zin zonder werkwoord (een naamwoordelijke zin) krijgt لَيْسَ
لا + werkwoord
لَا staat direct voor het werkwoord, en verder verandert er niets:
- لَا أَعْرِفُ. (lā aʿrifu) — Ik weet het niet.
- لَا يَسْكُنُ هُنَا. (lā yaskunu hunā) — Hij woont hier niet.
- هِيَ لَا تَشْرَبُ الْقَهْوَةَ. — Zij drinkt geen koffie.
- لَا نَذْهَبُ إِلَى السُّوقِ يَوْمَ الْجُمُعَةِ. — Op vrijdag gaan we niet naar de markt.
ليس voor zinnen zonder werkwoord
لَيْسَ betekent "is niet". Het wordt vervoegd naar de persoon en is het enige woord in de zin dat de persoon aangeeft:
| Voornaamwoord | Vorm | Klank |
|---|---|---|
| أَنَا | لَسْتُ | lastu |
| أَنْتَ | لَسْتَ | lasta |
| أَنْتِ | لَسْتِ | lasti |
| هُوَ | لَيْسَ | laysa |
| هِيَ | لَيْسَتْ | laysat |
| نَحْنُ | لَسْنَا | lasnā |
| أَنْتُمْ | لَسْتُمْ | lastum |
| هُمْ | لَيْسُوا | laysū |
| هُنَّ | لَسْنَ | lasna |
Het gezegde gaat naar de accusatief
Na لَيْسَ krijgt het gezegde de accusatief: bij een onbepaald enkelvoud tanwien fatha, met een extra alif behalve bij woorden op ة; bij ـُونَ wordt de uitgang ـِينَ.
| Bevestigend | Ontkennend |
|---|---|
| أَنَا طَالِبٌ. Ik ben student. | لَسْتُ طَالِبًا. Ik ben geen student. |
| هِيَ مُعَلِّمَةٌ. Zij is lerares. | لَيْسَتْ مُعَلِّمَةً. Zij is geen lerares. |
| الْبَيْتُ كَبِيرٌ. Het huis is groot. | لَيْسَ الْبَيْتُ كَبِيرًا. Het huis is niet groot. |
| هُمْ مُهَنْدِسُونَ. Zij zijn ingenieurs. | لَيْسُوا مُهَنْدِسِينَ. Zij zijn geen ingenieurs. |
لَيْسَ mag ook na het onderwerp staan: الْبَيْتُ لَيْسَ كَبِيرًا. Voor één bijvoeglijk naamwoord binnen een woordgroep gebruik je غَيْر ("on-"): كَلَامٌ غَيْرُ وَاضِحٍ — onduidelijke taal.
Let op als Nederlandstalige
- "Ik ben geen student" en "Ik weet het niet" krijgen in het Arabisch niet dezelfde verdeling als geen/niet. Het gaat erom of er een werkwoord is. ✗ أَنَا لَا طَالِبٌ. / ✓ لَسْتُ طَالِبًا. En met een werkwoord wordt "geen koffie" gewoon لَا: ✓ لَا أَشْرَبُ الْقَهْوَةَ.
- Vergeet de accusatief na لَيْسَ niet. ✗ لَسْتُ طَالِبٌ. / ✓ لَسْتُ طَالِبًا.
- لَيْسَ draagt de persoon al; zet er geen tweede werkwoord bij. ✗ لَيْسَ هُوَ يَكُونُ طَالِبًا. / ✓ لَيْسَ طَالِبًا.
- De ontkenning staat vóór het werkwoord, niet erachter zoals "niet" in "Ik weet het niet". ✗ أَعْرِفُ لَا. / ✓ لَا أَعْرِفُ.
Voorbeelddialoog
هَلْ أَنْتَ مُعَلِّمٌ؟ — Ben jij leraar?
لَا، لَسْتُ مُعَلِّمًا. أَنَا طَالِبٌ. — Nee, ik ben geen leraar. Ik ben student.
وَهَلْ تَسْكُنُ هُنَا؟ — En woon je hier?
لَا، لَا أَسْكُنُ هُنَا. — Nee, ik woon hier niet.
وَأُخْتُكَ؟ — En je zus?
لَيْسَتْ فِي الْمَدِينَةِ الْآنَ. — Zij is nu niet in de stad.