Wat را doet
را staat na een lijdend voorwerp en zegt dat het om een bepaald, bekend ding of iemand gaat. Het Nederlands doet dat met "de", "het", "dit" of een naam. Daarom vertaal je را meestal met niets.
- کتاب را خواندم. — Ik heb het boek gelezen. (een boek dat we allebei kennen)
- کتاب خواندم. — Ik heb een boek gelezen. / Ik heb wat gelezen.
- کتابی خواندم. — Ik heb een boek gelezen. (één, niet nader bepaald)
Alleen het lijdend voorwerp krijgt را. Een onderwerp nooit, en een naamwoord na een voorzetsel ook nooit.
Wanneer het verplicht is
| Lijdend voorwerp | را? | Voorbeeld |
|---|---|---|
| een naam | ja | علی را دیدم. — Ik heb Ali gezien. |
| een voornaamwoord | ja | او را دیدم. / مرا دید. |
| این / آن | ja | این را بده. — Geef dit eens. |
| bekend uit de context | ja | در را ببند. — Doe de deur dicht. |
| algemeen of nieuw | nee | غذا خوردم. — Ik heb gegeten. |
| onbepaald met یک / ـی | nee | یک نامه نوشتم. — Ik heb een brief geschreven. |
من را en de oudere samentrekking مرا zijn allebei correct; مرا is formeler.
Waar het staat
را sluit de hele woordgroep af, inclusief ezafe-keten en bijvoeglijk naamwoord:
- کتابِ بزرگِ من را خواند. — Hij heeft mijn grote boek gelezen.
- آن فیلمِ ایرانی را دیدی؟ — Heb je die Iraanse film gezien?
Het gemarkeerde voorwerp komt meestal vroeg, vóór de plaats of de ontvanger:
- من نامه را به مریم دادم. — Ik heb de brief aan Maryam gegeven.
Bij een betrekkelijke bijzin staat را vóór که: کتابی را که خریدم خواندم. — Ik heb het boek gelezen dat ik kocht.
را kan ook een tijdsduur markeren die de handeling vult: تمام روز را کار کردم. — Ik heb de hele dag gewerkt.
In spreektaal wordt را na een klinker رو en na een medeklinker ـو: این رو ببین (in ro bebin), کتابو خوندم (ketābo khundam). Schrijf را.
Let op als Nederlandstalige
- De vuistregel "de/het bij een lijdend voorwerp = را" werkt aardig, maar een naam of voornaamwoord heeft in het Nederlands geen lidwoord en krijgt toch را: ✗ علی دیدم. / ✓ علی را دیدم.
- "Het boek" als onderwerp krijgt geen را: ✗ کتاب را روی میز است. / ✓ کتاب روی میز است.
- را komt aan het eind van de woordgroep, niet direct na het eerste naamwoord: ✗ کتاب را بزرگ خریدم. / ✓ کتابِ بزرگ را خریدم.
- Niet na een voorzetsel, ook niet als het Nederlands "de" zegt ("aan de man"): ✗ به مرد را گفتم. / ✓ به مرد گفتم.
Voorbeelddialoog
کلید را دیدی؟ — Heb je de sleutel gezien?
نه، کلید ندیدم. کجا گذاشتی؟ — Nee, ik heb geen sleutel gezien. Waar heb je hem gelegd?
روی میز گذاشتم. آن کتاب را هم برمیداری؟ — Op tafel. Neem je dat boek ook mee?
بله، هر دو را برمیدارم. — Ja, ik neem ze allebei mee.