Een tegenwoordige tijd zonder می
داشتن is een van de twee werkwoorden die de tegenwoordige tijd zonder می vormen (het andere is بودن, zijn). De stam is دار.
| Persoon | Bevestigend | Ontkennend |
|---|---|---|
| من | دارم (dāram) | ندارم |
| تو | داری | نداری |
| او | دارد | ندارد |
| ما | داریم | نداریم |
| شما | دارید | ندارید |
| آنها | دارند | ندارند |
- من دو برادر دارم. — Ik heb twee broers.
- او وقت ندارد. — Hij heeft geen tijd.
Verleden tijd en voltooide tijd
De verledentijdsstam is regelmatig, داشت: داشتم، داشتی، داشت، داشتیم، داشتید، داشتند. De voltooide tijd is داشتهام, de formele toekomende tijd خواهم داشت.
- دیروز کلاس داشتم. — Gisteren had ik les.
- هیچوقت ماشین نداشتهام. — Ik heb nooit een auto gehad.
Vaste uitdrukkingen met داشتن
| Perzisch | Nederlands |
|---|---|
| دوست داشتن | houden van, leuk vinden |
| نیاز داشتن به | nodig hebben |
| قصد داشتن | van plan zijn |
| حق داشتن | gelijk hebben |
| دوست دارم بروم | ik zou graag gaan |
- من او را دوست دارم. — Ik hou van hem/haar.
- به کمک نیاز دارم. — Ik heb hulp nodig.
Dit zijn samengestelde werkwoorden, dus de ontkenning komt op دارم: دوست ندارم — ik vind het niet leuk.
Leeftijd
Twee patronen zijn allebei gewoon: من سی سال دارم. en من سی سالم است. — Ik ben dertig. Een derde, correcte variant gebruikt het bijvoeglijk naamwoord سیساله: من سیساله هستم.
داشتن heeft nog een taak: het vormt de duratieve vorm (دارم میروم, ik ben aan het gaan). Dat komt in les 22.
Let op als Nederlandstalige
- "Houden van" vertaal je niet met "van" = از. Wie je liefhebt is een lijdend voorwerp met را: ✗ از او دوست دارم. / ✓ او را دوست دارم.
- "Ik ben dertig" gaat niet met "zijn" + jaar: ✗ من سی سال هستم. / ✓ سی سالم است. of سی سال دارم.
- In het Nederlands is "hebben" ook hulpwerkwoord ("ik heb gegeten"). In het Perzisch niet: ✗ دارم خورده. / ✓ خوردهام.
- In de betekenis "hebben" krijgt داشتن in de tegenwoordige tijd geen می: ✗ ماشین میدارم. / ✓ ماشین دارم. Werkwoorden die erop gebouwd zijn met een andere betekenis krijgen het wel: برمیدارم (oppakken), نگه میدارم (bewaren, stoppen).
Voorbeelddialoog
خواهر یا برادر داری؟ — Heb je een zus of een broer?
یک خواهر دارم، برادر ندارم. — Ik heb één zus, een broer heb ik niet.
او ماشین دارد؟ — Heeft zij een auto?
نه، ولی دوچرخه دارد و دوچرخهاش را خیلی دوست دارد. — Nee, maar ze heeft een fiets en ze is dol op haar fiets.