to be: het belangrijkste werkwoord
To be betekent “zijn”. Net als het Nederlandse zijn is het onregelmatig, maar het heeft in de tegenwoordige tijd maar drie vormen: am, is en are.
| Voornaamwoord | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| I | am | I am tired. — Ik ben moe. |
| you | are | You are late. — Je bent te laat. |
| he / she / it | is | She is a nurse. — Zij is verpleegkundige. |
| we | are | We are ready. — Wij zijn klaar. |
| they | are | They are at school. — Zij zijn op school. |
Vergelijk met het Nederlands: ben, bent, is, zijn: vier vormen. Het Engels heeft er één minder, maar de verdeling is anders. Let vooral op you are: dat is zowel “jij bent” als “u bent” als “jullie zijn”.
Samentrekkingen: zo klinkt gesproken Engels
In gesproken en informeel Engels worden am, is en are bijna altijd verkort:
| Volledig | Verkort | Voorbeeld |
|---|---|---|
| I am | I'm | I'm from Rotterdam. — Ik kom uit Rotterdam. |
| you are | you're | You're right. — Je hebt gelijk. |
| he is / she is / it is | he's / she's / it's | It's late. — Het is laat. |
| we are | we're | We're home. — We zijn thuis. |
| they are | they're | They're friends. — Zij zijn vrienden. |
Let op: it's (= it is) is niet hetzelfde als its (bezittelijk, “zijn/haar” van een ding). Een klassieke spelfout, ook bij moedertaalsprekers.
Ontkenning: gewoon not erachter
Anders dan bij de meeste werkwoorden heb je bij to be geen do of does nodig. Zet gewoon not achter het werkwoord:
- I am not hungry. — Ik heb geen honger.
- He is not here. → He isn't here. — Hij is niet hier.
- We are not late. → We aren't late. — Wij zijn niet te laat.
Fout: I don't am hungry.
Vragen: draai om, precies zoals in het Nederlands
Hier hebben Nederlandstaligen een voordeel: bij to be zet je het werkwoord vooraan, net als bij zijn:
- You are tired. → Are you tired? — Ben je moe?
- She is a teacher. → Is she a teacher? — Is zij lerares?
- Where are they? — Waar zijn zij?
Korte antwoorden herhalen het werkwoord: Yes, I am. / No, I'm not. — Ja. / Nee.
Valkuil: honger, kou, gelijk en haast
Waar het Nederlands hebben gebruikt, gebruikt het Engels vaak to be:
| Nederlands (hebben) | Engels (to be) |
|---|---|
| Ik heb honger. | I am hungry. |
| Ik heb het koud. | I am cold. |
| Je hebt gelijk. | You are right. |
| Ik heb haast. | I am in a hurry. |
Dus nooit I have hungry of I have it cold. Leeftijd gaat net als in het Nederlands met to be: I am thirty (years old). — Ik ben dertig (jaar).