Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Engelse grammatica

Persoonlijke voornaamwoorden (onderwerp)

Gratis les Engelse grammatica · A1

De onderwerpsvormen in het Engels

Persoonlijke voornaamwoorden zijn het startpunt van elke Engelse zin. Goed nieuws: het Engels heeft er maar zeven, en er zijn geen korte en lange vormen: geen verschil tussen jij en je, of tussen zij en ze.

Engels Nederlands Voorbeeld
I ik I am Sanne. — Ik ben Sanne.
you jij / je / u / jullie You are my friend. — Jij bent mijn vriend.
he hij He is a doctor. — Hij is dokter.
she zij / ze (vrouw) She is my sister. — Zij is mijn zus.
it het / hij / zij (ding, dier, weer) It is cold. — Het is koud.
we wij / we We speak English. — Wij spreken Engels.
they zij / ze (meervoud) They live in Utrecht. — Zij wonen in Utrecht.

Let op: you is jij, u én jullie

Het Nederlands maakt onderscheid tussen jij, u en jullie. Het Engels niet: tegen een vriend, je baas, een kind en een hele groep zeg je altijd you. Het werkwoord blijft ook hetzelfde:

You are kind. — Jij bent aardig. / U bent aardig. / Jullie zijn aardig.

Er is dus geen beleefdheidsvorm. Beleefdheid zit in het Engels in woorden als please en would you, niet in het voornaamwoord.

it: dingen zijn geen hij of zij

In het Nederlands zeg je over een tafel soms hij (“hij staat in de hoek”) en over de-woorden hij of zij. In het Engels krijgen alle dingen, abstracte zaken en meestal ook dieren it:

  • The table is old. It is brown. — De tafel is oud. Hij is bruin.
  • The weather is nice. It is sunny. — Het weer is mooi. Het is zonnig.

Alleen voor mensen (en huisdieren waar je een band mee hebt) gebruik je he of she.

she en they: geen verwarring meer

Nederlands zij kan “zij (één vrouw)” of “zij (meerdere mensen)” betekenen. In het Engels moet je kiezen:

  • één vrouw: sheShe works here. — Zij werkt hier.
  • meerdere mensen: theyThey work here. — Zij werken hier.

I altijd met een hoofdletter

Het woord I (ik) schrijf je overal in de zin met een hoofdletter, ook midden in de zin:

  • My brother and I are at home. — Mijn broer en ik zijn thuis.

Let ook op de volgorde: in het Engels noem je jezelf als laatste, my brother and I, niet I and my brother.

In de mededelende zin staat het onderwerp vóór het werkwoord

Het Nederlands zet het onderwerp vaak achter het werkwoord (“Op zaterdag ga ik naar de markt”). Het Engels is strenger: onderwerp → werkwoord, ook als de zin met een tijdsbepaling begint.

  • goed: On Saturdays I go to the market. — Op zaterdag ga ik naar de markt.
  • fout: On Saturdays go I to the market.

Deze inversie is een van de meest voorkomende Nederlandse fouten in het Engels. Onthoud: in een mededelende zin komt het onderwerp eerst, dan pas het werkwoord. In vragen draait het Engels wél om: Are you tired?

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Engelse grammatica