De present continuous in het Engels
In het Nederlands zeg je «Ik ben aan het lezen» of gewoon «Ik lees» als iets nu bezig is. Het Engels heeft daar één vaste vorm voor: het hulpwerkwoord be (am / is / are) plus de -ing-vorm van het werkwoord. Er komt geen «aan het» aan te pas:
onderwerp + am / is / are + werkwoord + -ing
| Onderwerp | Hulpwerkwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| I | am | I am reading. — Ik ben aan het lezen. |
| he / she / it | is | She is cooking dinner. — Zij is eten aan het koken. |
| you / we / they | are | They are playing football. — Ze zijn aan het voetballen. |
Let op: vertaal «aan het» nooit letterlijk. I am at the reading bestaat niet, de juiste vorm is I am reading.
Het Engels gebruikt de continuous veel vaker
Dit is het grootste verschil met het Nederlands. Waar wij vaak de gewone tegenwoordige tijd gebruiken, moet het Engels de continuous kiezen:
- Op dit moment: «Ik werk nu» → I am working now. (niet
I work now) - Tijdelijke situatie: «Ik woon dit jaar in Utrecht» → I am living in Utrecht this year.
- Vaste afspraak in de toekomst: «Ik ga morgen naar de tandarts» → I am going to the dentist tomorrow.
De present simple blijft voor gewoontes en feiten: I work in Amsterdam. — Ik werk in Amsterdam (altijd, in het algemeen).
Spellingregels voor -ing
- Stomme e valt weg: make → making, write → writing
- Medeklinker verdubbelt na één korte, beklemtoonde klinker: run → running, sit → sitting, swim → swimming
- Anders gewoon -ing: read → reading, play → playing
Ontkenning en vraag
De ontkenning krijgt not na het hulpwerkwoord; in de vraag wisselen hulpwerkwoord en onderwerp van plaats. Er komt geen do aan te pas:
They are not playing football. — Ze zijn niet aan het voetballen.
Are you listening to me? — Luister je naar me?
Is she working today? — Werkt ze vandaag?
Werkwoorden die zelden in de continuous staan
Werkwoorden voor kennen, voelen, willen en bezitten (toestandswerkwoorden) staan gewoonlijk in de simple:
| Werkwoord | Betekenis | Goed | Fout |
|---|---|---|---|
| know | weten, kennen | I know him. | |
| like | leuk vinden | She likes tea. | |
| want | willen | We want coffee. | |
| have (bezit) | hebben | He has a car. |