Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Engelse grammatica

Modale werkwoorden (can / must / should)

Gratis les Engelse grammatica · A2

Modale werkwoorden in het Engels

Modale werkwoorden zeggen iets over mogelijkheid, verplichting, advies of toestemming, net als kunnen, moeten en mogen. Ze gedragen zich in het Engels heel regelmatig, en juist dat maakt ze makkelijk:

  • Er komt geen -s bij he / she / it: She can swim. (niet She cans)
  • Erna volgt altijd de stam zonder to: I must go. (niet I must to go)
  • Ontkenning met not, vraag door omkering, nooit met do: Can you help me?

onderwerp + modaal werkwoord + stam

De drie basisvormen

Modaal Betekenis Voorbeeld
can kunnen (vermogen, mogelijkheid), mogen (informeel) I can speak Dutch. — Ik kan Nederlands spreken.
must moeten (sterke verplichting, vaak van de spreker zelf) You must wear a seatbelt. — Je moet een gordel dragen.
should zou moeten (advies, aanbeveling) You should see a doctor. — Je zou naar de dokter moeten.

Ontkenning: I cannot / can't swim., You mustn't smoke here., You shouldn't worry.
Vraag: Can I open the window? — Mag ik het raam openzetten?

De grote valkuil: moeten, niet moeten en niet hoeven

In het Nederlands zeg je «je moet niet» én «je hoeft niet», en dat verschil is precies wat het Engels ook maakt, maar met andere woorden:

Nederlands Engels Betekenis
Je moet ... You must / You have to ... verplicht
Je mag niet ... / Je moet niet ... You mustn't ... verboden
Je hoeft niet ... You don't have to ... niet nodig, mag wel

You mustn't park here. — Je mag hier niet parkeren. (verbod)
You don't have to park here. — Je hoeft hier niet te parkeren. (het mag, maar het is niet verplicht)

Kies dus nooit mustn't als je «hoeft niet» bedoelt, dat verandert een vriendelijke opmerking in een verbod.

have to: het gewone «moeten»

must klinkt sterk en formeel; in de spreektaal is have to veel gewoner voor regels en verplichtingen van buitenaf. Anders dan must is het geen modaal werkwoord: het krijgt wél -s en wél do in vraag en ontkenning.

She has to work on Saturday. — Ze moet zaterdag werken.
Do you have to leave already? — Moet je nu al weg?

could en may

  • could = kon / zou kunnen, of een beleefder «kunnen»: Could you pass the salt? — Zou je het zout kunnen aangeven?
  • may = mogen (formeel) of misschien: May I come in? — Mag ik binnenkomen? / It may rain. — Het gaat misschien regenen.

Onthoud: modale werkwoorden hebben geen infinitief en geen -ing-vorm. Voor de toekomst en de voltooide tijd van «kunnen» gebruik je be able to; voor de verleden tijd en de toekomst van «moeten» gebruik je have to: I had to work yesterday. — Ik moest gisteren werken.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Engelse grammatica