Gerund en infinitief in het Engels
Als er in het Engels een tweede werkwoord op een eerste volgt, heeft dat tweede werkwoord één van twee vormen:
- gerund: werkwoord + s:-ing — I enjoy swimming. — Ik zwem graag.
- infinitief met to: to + werkwoord — I want to swim. — Ik wil zwemmen.
Welke je gebruikt, hangt af van het eerste werkwoord. Er is geen logische regel, je moet het per werkwoord leren.
Waarom Nederlandstaligen hier struikelen
Het Nederlands lost dit bijna altijd op met «te + infinitief» of gewoon een infinitief: «Ik probeer te slapen», «Ik wil slapen», «Ik houd van slapen», «Ik ben klaar met werken». Eén patroon voor alles. Het Engels dwingt je te kiezen, en de letterlijke vertaling met to is vaak fout:
❌ I enjoy to swim. (naar «Ik vind het leuk om te zwemmen»)
✅ I enjoy swimming.
❌ She finished to read. (naar «Ze is klaar met lezen»)
✅ She finished reading.
Extra valkuil: het Nederlandse «om te …» wordt in het Engels niet for to. «Ik ging naar de winkel om brood te kopen» → I went to the shop to buy bread. — nooit ❌ for to buy of ❌ for buying.
Werkwoorden + gerund (s:-ing)
| Werkwoord | Voorbeeld |
|---|---|
| enjoy | I enjoy cooking. — Ik kook graag. |
| finish | He finished writing the report. — Hij was klaar met het schrijven van het rapport. |
| avoid | Avoid eating late. — Eet liever niet laat. |
| mind | Do you mind waiting? — Vind je het erg om te wachten? |
| keep | Keep going! — Ga door! |
| suggest | She suggested leaving early. — Ze stelde voor vroeg te vertrekken. |
| practise | Practise speaking every day. — Oefen elke dag met spreken. |
| can't stand | I can't stand waiting. — Ik heb een hekel aan wachten. |
Ook na een voorzetsel komt altijd de gerund: I'm good at drawing. / She left without saying goodbye. — Precies zoals het Nederlands «goed in tekenen» zegt.
En let op look forward to: dat to is een voorzetsel, dus I look forward to seeing you. — niet ❌ to see.
Werkwoorden + infinitief (to + werkwoord)
| Werkwoord | Voorbeeld |
|---|---|
| want | I want to go home. — Ik wil naar huis. |
| decide | We decided to stay. — We besloten te blijven. |
| hope | I hope to see you soon. — Ik hoop je snel te zien. |
| plan | They plan to move. — Ze zijn van plan te verhuizen. |
| need | You need to rest. — Je moet rusten. |
| promise | He promised to help. — Hij beloofde te helpen. |
| learn | She is learning to drive. — Ze leert autorijden. |
| would like | I'd like to order. — Ik wil graag bestellen. |
Beide mogelijk
- like, love, hate, start, begin, continue: I like reading. = I like to read. — nauwelijks verschil.
- stop: He stopped smoking. (hij rookt niet meer) ≠ He stopped to smoke. (hij stopte even om te roken).
- remember / forget: I remember locking the door. (herinnering aan iets dat je deed) ≠ Remember to lock the door! (vergeet niet het te doen).
Modale werkwoorden: kale infinitief
Na can, must, should, will, may, might komt de infinitief zonder to, net als in het Nederlands («ik kan zwemmen»):
✅ I can swim. ❌ I can to swim.
✅ You must leave. ❌ You must to leave.
Ook na let en make: Let me help. / She made him wait.